Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3+

DE NATUURLYKE HISTORIE

men, om zo te fpreeken, in zyne oogen, welker beweegingen malkanderen langzaam opvolgen f», de orde en agtervolging van zyne inwendige geneigdheden.

Hy heeft een zeer goed gehoor, en dit werktuig toont zig uitwendig even als het zintuig van den reuk, duidelyker dan by eenig ander dier;zyne ooren zyn zo groot, veel langer zelfs, naar evenredigheid van 't lighaam, dan dievan den ezel, en zy zyn plat tegen het hoofd aan gelyk by den menfeh; zy zyn gemeenlyk hangende; maar hy regt de zelve met veel gemak op , en beweegt hen naar welgevallen: zy dienen hem ook om zyne oogen af te wasfchen (a), en om dezelve voor het ongemak van ft of en vliegen te befchutten. Hy heeft vermaak in den klank der inftrumenten, en fchynt de muziek té beminnen; hy leert gemaklyk de maat te teekenen, en zig op de kadans te be~ xveegen, en ter gepafter tyd eenige geluiden by 't geraas der trommelen en klanken der trompetten te voegen. Zyn reuk is uitmuntend,en hy bemint met drift de welriekende dingen en parfums van allerhande foort,byzonderlyk de riekende bloemen; hy kieft dezelve uit,hy plukt haar een voor een,hy maakt 'er ruikers van, en na derzelver geuren ingefnooven te hebben,brengt hy haar aan zyn mond, en fchynt haar te frnaaken (JS). De oranjebloeifcm is een van zyne keurigfte geregten ; hy ontbloot met zyn fnuit een oranjeboom van alle zyne groente, en eet daar de vrugten, de bloemen, de bladen, en zelfs het jonge hout van; hy zoekt in de weiden de welriekendfte planten uit; en verkieft in de boffchen de lacos-de banaan-de palm-de fago-boomen voor andere • en gelyk deze boomen week en merg-of pit-agtig zyn, eet hy niet flegts de bladen en vrugten, maar zelfs de takken, den ftam en de wortels; want als hy die boomen met zyn fnuit niet om verre kan haaien, ontwortelt hy dezelve met zyne flagtanden.

Wat het zintuig des gevoels betreft, hy heeft dat, om zo te fpreeken, niet dan in den fnuit, maar het is ook zo kiefch, zo onderfcheiden in deze foort van hand als in die van den menfeh. Deze fnuit, uit vliezen, zenuwen, en fpieren beftaande , is ter zelfder tyd een werktuig voor beweeging en verfcheidene verrigtingen en voor het gevoel; het dier kan denzelven niet flegts buigen heen en weder, en naar alle rigtingen beweegen; maar hy kan denzelven ook verkorten, verlangen, krommen en op allerhande wyzen draaijen; het einde van den fnuit loopt uit met een rand (c),die zig van 'boven inde o-edaante van een vinger verlangt; het is door middel van dezen rand en van deze foort van vinger, dat de olyfant alles doet, wat wy met de vingers doen; hy neemt dè kleinfte ftukjes geld van den grond op, hy plukt gras, kruiden^ en

(z) De oogen van den olyfant zyn zeer klein naar evenredigheid van dm kop, en nog kleiner naar evenredigheid des lighaams, maar zy zyn zeer levendig, en wakker ; hy beweegt dezalve op een wyze die hem altyd het voorkomen van peiezing geeft. Voyage aux Indes orientales du P. Fr. Vincent-Marie , de St. Catherine de Sienne , &c. Venife 1683. 4. pi£- 39(5' traduit de Mr. de le Marquis de Montmirail.

(a) De ooren van den olyfant zyn zeer groot Hy beweegt dezelve gedurig met eene

zekere deftigheid, en zy befchermen zyne oogen voor alle kleine febadelyke diertjes. Idem ibid* Zie ook les Mémoires pour fervir a l'bifloire des animaux, part. III. pag. 107.

(b) Voyage de Guinée par Bosman pag. 143.

(c) Mémoires pour fervir <i l'bift. des animaux, Part. III. pag. 108. en 140,

Sluiten