Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.174 DE NATUURLYKE HISTORIE

Lengte van den pyp, van de waade tot aan den kogel Omtrek

Lengte der fpoorgezwellen i *

Hoogte der hoeven

Lengte, van den voorhoef tot aan den hiel aan de voorfte voeten ... . •

Lengte aan de agterfte voeten

Breedte der beide hoeven, te zamen genoomen aan de voorfte voeten ..... Breedte aan de agterfte voeten

Omtrek der beide hoeven te zamen genoömen aan de voorfte voeten . . ... Omtrek aan de agterfte voeten ....

Ik heb het geraamte van de gazelle (Pl. XXFII) met die van den bok, van den gemsbok, en van den rhebok vergeleeken ) de kop (PL XXXIII, fig. i) heeft de meefte overeenkom!! met dien van den rhebok , voornamelyk daarin,dat! 'er diepe indrukzels onder de oogputten zitten;dat het voorhoofdsbeen minder verheven is, en dat de hoek, welken de takken van het onderft kaakbeen maaken , fcherper is ; maar de opening der neusgaten is grooter dan by den rhebok, en even groot als by den bok en by den gemsbok.

De gazelle heeft twee-en-dertig tanden, gelyk de rhebok, de bok en de gemsbok , enz. agt fnytanden in het onderft kaakbeen en zes baktanden aan elke zyde der beide kaakbeenderen; de twee laatfte fnytanden zyn, gelyk by den rhebok, naar evenredigheid veel kleiner dan by den bok en by den gemsbok.

Het doornagtig uitfteekzel des tweeden wervelbeens gelykt meer naar dat van den rhebok,dan naar dat van den bok, en wel daarin, dat het zig minder voorwaards uitftrekt en minder verheven is; de doornagtige uitfteekzels der drie volgende wervelbeenderen hebben ook , gelyk die van den rhebok , minder hoogte dan by den kop; zy zyn uitgehold over het midden van hun bovenft gedeelte, en byna in twee takken gefcheiden, het geen noch by den rhebok, noch by den bok, enz. gevonden wordt.

De gazelle heeft dertien wervelbeenderen in den rug en dertien ribben aan elke zyde , agt waare en vyf valfche, en zes ftukken aan het bbrftbeen, gelyk de bok, de rhebok , enz. van twee geraamten van gazellen, welke ik befchomvd heb, heeft het een zes, en het ander flegts vyf wervelbeenderen in de lendenen; het is my evenwel niet voorgekoomen dat een eenige wervelbeen in het geraamte verlooren was; zy hebben allen hunne natuurlyke banden, behalven het laatfte, dat van hetheiligbeen is losgegaan, maar dat daar zo juift op paft, dat het wezendlyk dat van het laatfte wervelbeen der lendenen moet zyn, fchoon het flegts het vyfdezy; want zo hetzelve flegts op op één na het laatfte inhetleevend dier geweeft ware, zouden deszelfs geleeden de vlakken zeer verre van die van het heiligbeen afftaan in het geraamte; indien dat het daarentegen, gelyk ik vermoed, alle zyne wervelbeen-

voeten , duimen, lynen.

o. 6 '5.

o. 1. 8.

o. o. 6.

o. o. 11.

o. 1. 3-

o. 1. 3.

o. o. 9.

o. o. 8.

O. 3. 6-

o. 3. 4-

Sluiten