Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BESCHRYVING VAN HET KABINET.

251

is bygebragt; zy zyn met een klein goud plaatje (AA, fig. 5 en 6) aan het bovenli eind der pypen bekleed; de Negers bedienen zig daarvan voor een pypen - ftoppertje.

N°. MCXCVI. De pyp en de vwt van een voorpoot (fig. 7 ) en van een agterpoot (fig. g).

Deze deelen zyn van een nog kleiner rheetje dan dat, het welk onder No. MCXCI is bygebragt ; de omtrek van de pypen is flegts van vyf of zes lynen.

No. MCXCVII. Een zeer klein hoorntje} dat in het kabinet in een glas gevonden is, by de rhe - pootjes, onder de drie vorige nommers bygebragt. Men heeft alle reden om te denken, dat dit hoorntje, (Pl. XLV fig. 2 ) van de foort van kleine rhebokjes koomt, Guevei (a) geheeten, hetzelve heeft flegts eenen duim lengte , en elf duimen omtreks aan de bafis, het is hol, een weinig krom , zeer puntig en van eene zwartagtige kleur; hetzelve heeft by zyne bafis drie of vier uitlteekende en dwarfche voeten, die onregelmaatig zyn in hunne rigting, en zig zeer onduidelyk vertoonen op een der zyden van den hoorn ; het is my voorgekoomen meer overeenkomften te hebben met die van de gazellen, dan met de hoornen van eenig ander dier.

No. MCXCVIII. Het geraamte van een cariacou.

De befchryving en de voornaame afmeetingen van dit geraamte maaken een gedeelte uit van de befchryving van den cariacou. N°. MCXCIX. Een hoorn van een coudous.

Deze hoorn (Pl. XLIX, fig. 1 , alwaar de hoorn van voren vertoond wordt, en fig. 2 , alwaar die zelfde hoorn met de agterfte zyde voor is afgebeeld') , koomt van de regterzyde van het dier; hetzelve is omtrent twee voeten en een halven lang over zyne grootfte lengte (AB), en heeft byna eenen voet omtreks aan de bafis; dezelve is een weinig krom en heeft eene zwaare rib (ACDE), die twee flagen van eene krullyn om den hoorn maakt, tot op twee derde deelen van deszelfs lengte, het koomt my voor, dat die rib begint, gelyk die der hoornen van den buffel, op de voorfte zyde van de bafis.. Daar zitten eenige dwarfche rimpels by de bafis van den hoorn, waarvan wy hier fpreeken , het overige is glad, dezelven is geheel van eene bruine kleur.

No. MCC. De twee hoornen van den coudous. Deze hoornen (Pl. XLIX, fig. 3 en 4 ) zyn minder groot dan de voorgaande , want zy hebben llegts twee voeten lengte, voor het overige gely-

(a) Zie hier voor de Natuurlyke Hiftorie van het kleine rheetje, door den Hr. de Buffon, bladz. 212. van dit deel.

Ii 2

Sluiten