Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN HET STEKEL-VARKEN. 269

dewyl alle deze overeenkomften llegts verre verwyderd , en alle de verfchillen wezendlyk en tegenwoordig zyn , zo is het niet twyffelagtig, of het ftekel-varken van eene byzondere foort zy, verfchillende van die van den egel, van den béver, van den haas, en van elk ander dier, daar men hem by zoude willen vergelyken.

Ook moet men geen geloof flaan aan 't geen, bykans eenpaarig, verzekerd wordt door de Reisbefchryvers en Natuurbefchouwers, die aan dit dier het vermoogen geeven van zyne ftekels op een vry grooter afftand uit te flitfen, en wel met zo veel kragt, dat dezelve diep wonden en doorbooren, noch minder zig met hen verbeelden , dat die ftekels, geheellyk van het lighaam des diers afgefcheiden , de zeer ongewoone en ganfeh byzondere eigenfehap hebben, van uit zig zeiven en door haar eigen kragten nog dieper in het vleefch te dringen , zodra de punt daar eens in gebragt is. Dit laatfte ftuk is geheel harfenfehimmig en van allen grond ontbloot, ja met alle reden ftrydig; het eerfte is zo valfch als het tweede, maar heeft evenwel dezen fchynbaaren grond , dat het dier , getergd wordende, of flegts in fterke aandoening zynde, zyne ftekels opzet en beweegt en dewyl 'er onder die ftekels zyn, die alleenlylcmet een draadje of dun vliesje aan het vel vaft zitten, zo vallen zy ligtelyk uit. Wy hebben ftekel-varkens leevende gezien, maar hebben nooit waargenoomen , dat zy, fchoon in geweldige beweeging gebragt , hunne ftekels uitflitften: men kan zig derhalven niet genoeg verwonderen, dat de deftigfte Schryvers zo wel oude («) als laatere (b) , dat de verftandigfte Reisbefchryvers (c), allen overeenftemmen in een ftuk, dat zo volftrekt onwaar is; zommigen zeggen, dat zy zelve door die foort van uit* flitfing zyn gekwetft geworden ; anderen verzekeren, dat dezelve met zo veel geweld gefchiedt, dat de ftekels een plank doorbooren kunnen op een merkelyken afftand (d). Het verwonderlyke, dat niet anders is dan het

(0) Aristot. Hifl. animal. lib. IX, cap. 39 Plinius, Hifl. Nat. lib. VIII. cap.

53.— Oppianus, de Venatione.

(1) De Heeren Ontleedkundigen van de Akademie der Weetenfchappen. „ Die ftekels, zeg„ gen zy, die de ftevigfte en de kortfte waren,wierden ligtelyk uit het vel gehaald, zynde daar „ in niet vaftgehegt gelyk de andere, ook zyn het deze, welke de dieren (de ftekel-varkens) „ tegen de Jaagers uitflitfen door hunne huid te fchudden, gelyk de honden doen, als zy uit „ het water koomen." Claudianus, zegt op eene fraaije wyze, dat het ftekel-varken zelfs de boog, de pylkoker en de pyl is, waar van het zig tegen de Jaagers bedient. Memoires pour fervir a l'Hi/ioire des animaux , torn. III. pag. 114. Nota. De fabel is het grondgebied der Digteren, dus moet men hieromtrent aan Claudianus niets verwyten; maar de Ontleedkundigen van de Akademie hebben ongelyk gehad van die fabel aan te neemen, waarfchynlyk om Claudianus aan te haaien, want men ziet uit hunne eigen opgave,dat het ftekel-varken zyne ftekels niet uitflitft, en dat dezelve flegts vallen als het dier zig fchudt. — Wormius , Muf fVormian. pag. 235.— Wotton, pag. 56 Aldrov. de quadr. digit. pag. 473. en verfcheiden andere vermaarde Schryvers hebben deze dwaaling overgenomen.

(c) Tavernier, torn. II pag 20, 21.— Kolbe, torn. III. pag. 46.■— Barbot, Hiftoire generale des Voyages, torn IV. pag. 237.

(/O Als het ftekel-varken regt boos wordt, werpt hy zyne ftekels, die zomtyds twee fpanaen lanp zyn , opgezet hebbende , met eene alleruiterfte fnelheid op de menfehen en beesten , en hy flitft die ftekels met zo veel kragt uit, dat zy een plank doorbooren zouden. Voyage en Guinee par Bosman, Utrecht 1705. pag. 253.

Ll3

Sluiten