Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 47 >

dat het die gemeen heeft met ieder ftelzel, en bijzonderlijk van indirecte belastingen. Die een huis bene. den zijn vermogen bewoont, zal zeker ook geen kost* baaren ftaat voeren; en die een huis bewoont boven zijn vermogen, zal gewis ook zijne verdere leevenswijs daarnaar inrigten. Hoe groot ook de onevenre» digheid in de belastingen van twee zoodanige burgers, volgrnds ons ontwerp, zijn moge, zij zoude, onder indirecte belastingen, nog veel grooter zijn. Ook duidt hetzelfde inkomen wel niet altijd hetzelfde reëel vermogen, veel min bezittingen van gelijke waarde, aan; maar met dat al is het tog ook zeker, dat, naar mate eene bezitting opbrengt, derzelver waarde bepaald wordt. Het vermogen beftaat niet enkel in gewoonlijk zoogenoemde bezittingen, of vastigheden en effecten, maar in het gebruik, welk men weet te maaken van dat geen, welk men bezit; en dat gebruik is de maat der befcherminge, welke men geniet of noodig heeft, of genieten kan, en voor welke men eigenlijk zijne belastingen opbrengt. De Rentenier, die van zijne nationale fchuldbrieven een gelijk inkomen heeft, als een Koopman of Kunftenaar, geniet en heeft op verre na niet noodig die befcherming, welke de anderen daadlijk genieten, of noodig kunnen hebben, fchoon deszelfs bezittingen die der anderen twee - en meermaalen overtreffen. Deze ongelijkheid in de befcherming herftelt dus het ongelijkfoortige in de bezittingen, en bepaalt alzoo vrij naauwkeurig dat prafumtief vermogen, welk de grondflag moet uitmaaken eener belasting, geëvenredigd naar het relatief vermogen, opgemaakt en berekend naar de voortbrengzelen van hetzelve, dat is naar de inkomften. En hoezeer wij gaarne erkennen, dat volgends ons ontwerp geenszins alle ongelijkheden

zijn

Sluiten