Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 83 >

A. en B. betaalen iets meer dan f, C. f-, en D. iets minder dan \ gedeelte van derzelver inkomften. C. betaalt dus het meest; maar ftelt het inkomen van C. op ƒ 15,000. en van D. op ƒ 4.9,000., dan betaalt de eerfte ƒ 3,600. en de andere ƒ 6,800., en alzoo iader ook iets meer dan \ gedeelte van hunne inkom», ften. Zoo ongelijk dus, volgends uwe voorbeelden, de werking dezer belastingen is, zoo gelijk is zij vol. gends deze voorbeelden. En hieruit trekken wij dit. gevolg: dat alle voorbeelden louter wil.ekeurig zijn, enkel fpeculatie en onderftelling, waardoor niets beweezen wordt, maar waaruit, op zijn hoogst, zou kunnen blijken, aan welke zijde de meeste waarfchijnelijkheid is. Gefteld nu, dat dezelve was aan uwe zijde; zoude daaruit wel volgen, dan de grootte der belasting voor ieder burger in geene volkomen gelijkheid ftaat tot de inkomften van anderen; maar dit zou nog niets tegen de belasting zelve bewij'.en; ten zij tevens zeker ware, dat deze ongelijkheid of bij andere belastingen in het geheel niet, of veel minder gevonden werd ; doch welk wij oordeelen, dat met reden in twijfel getrokken, zo niet ontkend kan worden. Onder alle ftelzels van belastingen zal deze ongelijkheid plaats hebben, en wel het meest bij indirecte belastingen. Wij twijfelen zelfs, of het wel mogelijk is, om deze evenredigheid altijd flapt in acht te neemen, ten zij men zig bepaalde tot niet meer dan ééne belasting, waartoe Gij fchijnt over te hellen, (zie bl. 32.), en waarvan wij niet geheel afkeeiig zijn.

Onder de voordeelen, welken aan indirecte belastingen worden toegefchreeven , is het voornaamfte, dat zij ongevoelig gedraagen worden: doch dit komt ons voor als een zeer wezenlijk bezwaar tegen deF 2 zei-

Sluiten