Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG. 3 Gij Heerschzucht, die, in vroeger dagen,

Den rukeloozen Faëton, Zelfs Vader Febus hebt doen vraagen,

Om 't mennen van de kar der zon: Gij gaafc mij ftof tot deze klanken, tJ heb ik deze taak te danken,

Gij zijt de fleutel van dit lied. Dan, zoo Gij me ooit, voor deze toonen, Naar uw begrip, zoudt willen loonen;

Straf mij toch met uw' invloed niet.

Jupijn fchonk, volgens welbehagen , Van zijnen gouden hemel-troon,

Het vlijtig menschdom blijde dagen, Hunn' ftillevreede en rust ten loon.

Hec aardrijk opende al de fchatten,

Die 't in zijn' boezem kon bevatten. De zee bragt blijde welvaart aan.

Men zag, met volgelaaden fcheepen,

De rijkfte fchatten binnen fleepen, Door oost en wester Oceaan.

A a Om

Sluiten