Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG. t Dit had Titea lang met oogen

Van nijd, en weerzin aangezien; 't AfgunfHg hart kan niet gedoogen ,

Daar haar deze offers niet gefchiên. Zij was het, die geteeld uit de Aarde, Voor 't echtaltaar met Celus paarde;

En uit dit huwlijk 't fnood gedacht Der Titans, met hun groove leden , En onbefchaafder brein en zeden,

In fpijt der Goön, ter wereld bragt.

Wat! zegt ze, ondankhre ftcrvelingen!

Wat dwaasheid trekt U van mijn' zij ? Van wien hebt ge alF uw' zegeningen ,

En weldaan , dan alleen , van mij? Wie doedt het kooren welig groejen? Wie boom , en velden vrolijk bloejen?

Wie deelt aan 't rund en wollig vee, Het gras, en klaver, die hen voeden, Wie 't water, uit kristallen vloeden,

Dan ik , uw aller vaedfter mee?

A 4 Ee»

Sluiten