Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE-ZANG. 15 In 'c ruim Thesfalie is een tempel,

Zoo ongefchikt, als lomp en oud, Een ruwe rots verflrekt ten drempel,

Voor haar, door Celus zelf geboud: Men gaat 'er in, door ijs'ren deuren, Geene order kunt ge 'er in befpeuren,

Hij is geheel van licht ontbloot, Zoo dat, wie hier komt offers brengen, En wijrook zwaajen, bij het plengen,

Geduurig hoofd en voeten ftoor,

Hier riep zij haare zoonen faamen;

Die , met Reus Tifon aan het hoofd, Om flrijd tot haaren tempel kwaamen,

Waar van zij zich veel goeds belooft. Mijn' zoonen, zegt zij, dierb're Telgen! Ik bid U, laat het U niet belgen,

Dat ik U herwaards heb ontboön; Ik zal U zaaken openbaaren, Die 'k lang U reeds moest doen ervaaren;

Zij gelden U en all'de Goön.

Ju-

Sluiten