Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG. 23 Mars fchudde 't hoofd, ten zichtbaar teken,

Dat hem die voorflag niet geviel: Hij wilde daadelijk zich wreeken,

En hen vertrappen met zijn hiel. Vulkaan wou hen doen boven komen, Om dus dien euvelmoed te toornen,

En neemen 't Rot eens duchtig voor. Welk voordel daadelijk aan allen, Voor dat van Mars, feheen te gevallen;

Althans 't ging met het meertal door.

Merkuur meest afgericht in 't fpreeken,

Wordt uit deze opgeflagen tent, Gezonden in Thesfalies ftreeken,

Naar 't immer woelend Element. Om volgens 't Godlijk welbehagen, De Titans voor den Raad te daagen;

Hij vliegt ter wijde Raadzaal uit, Daalt neder in de groene velden, En doet aan deze grove Helden

De weet van 't godd'lijks raadsbeiluit.

B 4 Mijn

Sluiten