Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3o DE STRIJD DER REUZEN. Damafor hield Merkuur gegreepen,

En had hem zekerlijk den geest, En adem uit het lijf gekneepen,

Indien hij fterflijk waar geweest. Ik zal, dus fchreeuwt hij, onder 't drukken, ö Veedief! voor uw' guiten frakken,

U thans vergelden, naar waardij. Hier, zegt Vulkanus, opgeblaazen Van gramfchap , zoo Gij toch wilt raazen,

En 't kamp verliezen , vecht met Mij.

Bellona nog vrij meer ontfloken,

Dan Mars, hoe ook verhit door 't liaan, Voelt zelf het bloed in de aders kooken ,

En valt den kloeken Mimas aan; Hij maakt zich meester van haar wapen, En treft haar zoo, in een' der flaapen,

Van 't rood en opgezwollen hoofd. Dat, buiten 't arabrozijns vermogen, 't Geen nimmer 't fterven kan gedoogen,

Hij haar van 't leven had beroofd.

Nog

Sluiten