Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG. 31 Nog niet te vrede met den zegen,

Zoo onbezuisd als onverfaagd, Op 's Hemels Krijgsgodin verkreegen,

Grijpt Hij de goddelijke Maagd, Om zich een' eernaam te verwerven, Die niet dan met Belloon'zou fterven,

Welk noodlot haar nooit treffen kon. Hij prangt haar met zijn' grove ving'ren, En fmakt ze, na een driewerf fling'ren , Ver van zich, op den Pelion.

En had niet Pallas, in die vlaagen,

Zich met haar godlijk fchild gedekt; Zij had voorzeker ook de flagen

Van 't woedend rot ten prooi geftrekt. Briareus , met zijn' honderd handen, Zocht reeds dat Wijshoofd aan te randen ;

Doch zijn beleid fchoot hem te kort. Zoo dat, terwijl Hij door wil dringen, Hij, door zijn eigen muitelingen,

Geheel en al verpletterd wordt.

Ti-

Sluiten