Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 DE STRIJD DER REUZEN, Titea erger nog te duchten, Dan een' leeuwin, die in het woud Van Libien ontbloot van vruchten, En koelend water, zich onthoudt: Titea durft den aanflag waagen, Jupijn van zijnen troon te jaagen;

Zoo dat die God den Arend wekt, Die Hem ten reiskoets is gegeeven, En door dien vogel opgeheeven,

Hij zich aan haar gezicht onttrekt.

Hoe, borst Zij uit, om Hem te tergen,

Waar heen, troulooze Dwingeland? Zoekt Ge U reeds door de vlucht te bergen,

Houd, zoo Ge moedig zijt, houd ftand. Wat hebt Gij van een'vrouw te duchten?... Gij toont airede, door uw vluchten,

Of Gij met recht deez' eerftoel drukt: Gij moogt dien Redder uit uw' nooden, Dien Adelaar wel mee vergooden,

Die U mijn' flagen thans ontrukt.

Sluiten