Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG. 41 In tusfchen waaren reeds de Goden

Voor 't woeden van het dol geweld, Tot aan den boord des Nijls gevlooden,

En hadden zich daar neêr gefteld, Om, in des Stroomgods blonde plasfen, Het bloed der wonden af te wasfchen,

(Die hen in hunnen Maat beklaagt) En in die zee, daar nog de kleuren Van 't bloed der Goden, zijn te fpeuren,

En die daar- nog den naam naar draagt.

Merkuur had , door bedekte wegen ,

De Goden derwaards heen geleid, Geen mensch wist waar die zijn gelegen;

Des was dees toegang 't Rot ontzeid. Nog bragt Hij aan de Goön voor oogen, Of Memris, rijk en van vermogen,

In dezen toeftand voor Jupijn, En hun die met Hem, na het vluchten, Nog voor Titéaas woede duchtten,

Geen welgefchikt verblijf zou zijn.

C 5 Ja,

Sluiten