Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIDE ZANG. 51, Dan nauwlijks heeft Ticeê vernomen,

Waar zich het Godendom onthoud1:; Of flraks ziet me op de griekfche flroomen, -

Een welvoorziene Vloot volhoud. Hier meê zal zij de Zee bevaaren, In fpijt der trouwe Egijptenaaren,

En trekken weêr de Goön te keer. Doch Farao, beroemd in't vechten, Had zijn' vermaarde legerknechten

In flaat gefield van tegenweer.

Dit hoort ze, en valt op^ zeerst aan't vloeken.

Dat een geflacht dus onberaên Zich zeiven eilings durft verkloeken,

Van haar geweld te wederflaan. Ondankb're! dus vangt ze aan te fchelden, Zult gij mijn' weldaên dus vergelden?

De ganfche Hel is niet in Haat, ó Eervergeeten Aterlingen! U, naar verdienste, te befpringen,

Tot ftraf van 't fluk dat Gij begaat.

D 2 . Was

Sluiten