Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64 DE SRIJD DER REUZEN. Terwijl zij dus in aantocht waaren,

Raakt Memfis ftraks in rep en roer, En trekt, met zijne legerfchaaren,

Naar wal en fpie-burcht op de loer. Want, fchoon zij zonder Godsfpraak gisten, Of liever meer dan zeker wisten,

Dat deze t'faam gerotte magt Voornamentlijk wierd voord gedreevörJ, Om 't Godendom de laag te geeven, Zoo hielden ze echter trouwe waeht.

De Vorst zendt ook een boó hen tegen,

Met last, om hun de weet te doen , Hoe 't in de hoofdftad is gelegen ,

Dat zij vergeefsch zich derwaard fpóen. Op 't hooren, dat de Goön de ftraaten Der hoofdftad hadden leêg gelaaten ,

Brult Tifon met een luid gefchreeuw, Dat hem door 't goddelijk vermogen, Dien wisfen prooi thans is onttoogen,

Gelijk een hongerige leeuw.

Laat

Sluiten