Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG. 65 Laat Ons, zegt hij, naar Memfis trekken,

Om deze Stad, van onze wraak, Te doen het lijdend voorwerp {trekken,

Waar van ik thans zoo vuurig blaak. (De gramfchap is een dolle woede.) Nu fchreeuwt hij weêr, in helfchen moede:

Neen, keeren wij terftond weêrom, Naar Libien, in onze kielen, Wat wreeken we Ons op bloode Zielen,

Komt wreeken we Ons op 't Godendom!

Wij kunnen naderhand hen ftraffen;

Voor den van ouds geleden hoon, Hun een' geduchte wraak verfchaffen,

Wanneer wij Meesters zijn der Goön. t'Hans echter willen Wij hun' dijken Voor onzen kloeken arm doen wijken,

Op dat die fchuilplaats van geweld, In haar' moerasfen, kreeken, poelen, En diepe meiren , moog' gevoelen,

Metwien 't zich heeft gelijk gefteld.

E Ka?

Sluiten