Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG. 69 't Was zoo, en 't Rot had nauw de voeten

Weêr in Thesfalien gezet, Toen Pallas kwam Titeé ontmoeten,

Naar aller Goden wil en wet. Zij wierd door die Vorstin ontvangen, Waarop zij dus der Goön belangen

Aan deze vijandin verklaart: n Standvaste Godheid ! wier vermogen Al 't Godendom thans heeft bewoogen,

En Ons fteeds zoo veel moeite baart!

Jupijn heeft, om U aan te konden,

Dat Hij den lieven vrede mint, Mij herwaards tot U afgezonden,

En vraagt, of Ge ook dus zijt gezint. Wat doet U toch zijn' macht wcerltreeven? Daar Gij niet zonder Hem kunt leevcn,

En Gij gewis, op eiken dag, Den invloed van de luchtplaneeten, En Herren nimmer af te meeten,

Gevoelt, op Jupiters gezag.

E 3 Be-

Sluiten