Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG. 71 Titea, fchoon ook zeer verbolgen,

Om 't voorftel dat Minerva deed; Vreesde echter voor de vruchtgevolgen

Van 't onherftelbaar fchreeuwend leed. Zij wilde Tifon nederzetten, En Hem het kluist'ren nog beletten,

Als ftrijdig met der Volken recht; 't Geen tegen wettige Gezanten, Geweldiglijk zich aan te kanten,

Den fnoodften Dwingland heeft ontzegd.

Neen, graauwt Hij, neen, de valfche ftreeken

Van Jupiter en zijn geflacht, Zijn Ons alreé te wel gebleeken,

Zij fpilt vergeefsch haar' looze kracht. Mijn' Broeders! zet haar voort gevangen, Voldoen wij voorts aan ons verlangen,

En neemen wij Eurites raad, Op 't ruime zee-veld, Ons gegeeven, Om naar den Hemel-troon te ftreeven,

Met meer dan helden-moed te baat.

E 4 De

Sluiten