Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG. 73 De Saters doen, door rimpelneuzen,

En fchertzend lagchen, duidlijk zien, Dat zij die fnoode daad der Reuzen

Verdaan, als iets dat mogt gefchiên. Men wil Hen zelfs, door voorfpraak, bijftaan, Hoe, zeggen zij: zou dit niet vrij ftaan,

In een' rechtfchapen heerfchappij!... En onafhangelijke Staaten, Geen mensch, geen God zelfs door te laaten,

En aan te houden, wie 't ook zij?

Dan, Memfis ftond geheel verflaagen,

Op 't hooren dier ontmenschte daad, Er lag bij allen, in die dagen,

Een doodfche bleekheid op 't gelaat. Althans bij alle welgezinden, En hun die de oude welvaart minden.

Schoon and'ren, uiterlijk ontfteld, Die met Thesfalies Saters roeiden, Genoeg deén blijken, dat zij groeiden

In deze werking van geweld.

E 5 De

Sluiten