Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE ZANG. 79 Jupijn fchoot dapper blixem-fchichten,

En deed daar door wel, hier en daar, Een' enk'len dollen vechter zwichten,

Van deez' geduchte Reuzen-fchaar. Dan't fchijnt, dat and'ren dol en dronken, Hier door nog meer, in woede ontvonken.

Althans 't gevecht verheft zich dus, Dat zij met duizenden van kijen Als bergen, op het Hot ramijen ,

Gerugfteund door Eurijmachus.

De blind verdwaasde Stervelingen,

Door list op hunne zij gebragt, Begonden reeds triumf te zingen ;

Zoo dom is 't menfchelijk geflacht. Zij zagen zich alreê 't vermogen, En magt der Hemelgoón onttoogen,

Hun afgefchetst, als vals en wreed. Dan ,■ deeze toon wierd ras vervangen, Door akelige treurgezangen,

Om Tifons onherftelbaar leed.

In

Sluiten