Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE ZANG, 8i Men wil, dat van die felle Magen,

Vulkaan door Tifon toegebragt, Die God de tekens nog zou draagen,

Als blijken aan der Reuzen kracht: Althans, indien het hompelvoeten Deez' fabeltaal zal ftaaven moeten,

Dan is dit buiten tegenfpraak: Daar deze God gefmakt van boven, En neêrgedaalt bij Lemnos oven,

Nog homp'lend arbeidt aan zijn' taak,

Reus Othus had, met zijne knechten,

Te Salmothracien gehuurd, In plaats van moedig mee te vechten ,

Al vroeg zijn' ftompe piek gefchuurd, En Efialt, een koppel knaapen, Dat, met een' bende grillige aapen,

Of Saters wonderlijk gekleed, De magt der Goön, bij nacht en dagen, Beftond te farren en te plaagen,

Dit was 't al, wat dat volkje deed.

F Ti-

Sluiten