Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84 DE SRIJD DER REUZEN.

Zij vvaaren nu in 'c kloekst van 't ftrijden,

En op het toppunt, om, vol moeds, Het hof zeeghaftig in te rijden:

Als Febus, uitzijn' Zonne-koets, De heetfte en brandendfte der ftraalen, Op 't vechtend heir, deed nederdaalen,

Waar door hun oog eerst wordt verblind, En daad'lijk Reufen, berg en rotzen, Al brandende op het aardrijk klotzen,

Of ftraks verftuiven voor den wind,

Titeé op dit gezicht verflaagen,

Valt ftraks in onmacht en bezwijkt, Of fchoon in deze felle vlaagen,

Haar denkenskracht haar niet ontwijkt. Ach, galmt zij uit , mijn waardfte Telgen !.,. Wijt aan mijn' trotsheid uw verdelgen.

Ik wrocht uw' val, door wreevl'en nijd. Mogt ik U, door het alvermogen Van Febus, eeuwig mij onttoogen,

Herroepen kunnen, in den tijd!

Dus

Sluiten