Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86 DE STRIJD DER REUZEN. Jupijn gemoedigd door den zegen

Op 't paar, dat Hem het hoofd dorst biên, Met Febus kerken arm verkreegen,

Wil deeze daad vereeuwigd zien. Dat, zegt Hij, nog de laatfte dagen, Bij 't wreevel menschdom, kennis draagen

Van dit zoo rukeloos beitaan; Ik wil aan hunnen eifch gedenken, Hen met de onfterfliijkheid befchenken,

Maaj, om hen dus te meêr te {laan.

Dat de Etna kaag, Hen, uit zijn' poelen,

Daar niets dan pik en zwavel brandt, De felste pijnen doe gevoelen,

Tot jn het binnenst ingewand. Hun'Hraf zij, tot het eind der dagen, Dien zwaaien berg op 't hart te draagen.

En dat de Moeder, eeuwen lang, Der Reuzen aak'lig loejend zuchten, Voor Trinakris zoo zeer te duchten,

Op 't eenzaam veld, in de ooren vang'.

De

Sluiten