Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE ZANG. 87 De blind verdwaasde Stervelingen,

Die, van de milde hand der Goön, Zoo veele weldaan {leeds ontvingen,

Verwijs ik tot den fpot en hoon Der zulken, die mijn' brand-altaaren En reine wetten trouw bewaaren;

Tot dat Zij van hun dwaalend fpoor, Gewillig naar Mij wederkeeren, En bet'ren weg en zeden leeren,

En Ik hunn' boete zie en hoor !

Minerva vrij en vrank ontflaagen,

Uit haar gevangenis, en leed, Zat, naast God Febus, op den wagen,

Daar Zij ter Hofpoort binnen reed. De Goden juichten allerwegen, Om dezen nieuw behaalden zegen,

En dankten Febus, dat zijn' magt Minervaas leed dus had doen enden, De kans des oorlogs om doen wenden,

En hun gezag tot fland gebragt.

F 4 Zoo

Sluiten