Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANMERKINGEN

OP DEN

ZESDEN ZANG.

Bladzijde 66.

Kanopus. Zie de aantekening op bladz. 114.

Slangen. Dat deze gevaarlijke dieren aan Egijpten meer dan eenig ander landfchap eigen zijn, is uit de gefchiedenisfen genoeg bekend. Zie de verfcheiden zoorten bij W. Goeree in zijne Mofaifche Hiftorie ade deel bl. 464. en volg. en indien men aanmerkt, dat de Egijptenaaren ook aan de Slangen godsdienftige eer bevveezen , zou men dezelve, volgens mijne verdichting niet oneigen onder de Drek-goden dier Natie mogen tellen, waar vanEzechielgewaagt Hoofd. 20. vs. 7 en 8. zoo wel als de Schallebijter, die daar voor van fommigen gehouden wordt.

Bl. 67.

Lucht gevaarte. Hier had ik een ruim veld om de gefchiedenis der luchtgevaartens, met welke rukelooze waaghalzen zich verftout hebben naar de hoogte te ftreeven, van Dedalus af, tot Montgolfier en Blanchard toe, te befchrijven, doch wijl mij dit te ver zon afleiden, wil ik die liever onaangeroerd laaten.

Bl.

Sluiten