Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DEN PRINS VAN ESPINOI. ij

Laat, laat ons onzen fchat, wy laten u den uwen.

Uw eisch blyve u door my en Espinoi ontzeid. Hy bromde, en fchudde't hoofd, en heeft myfiraks verlaten,

Met zigtbaar ongeduld, ja, toen hy van my ging Klonk zyn gefpierde vuist op de yzren harnasplaten,

Als 't laagst bewys van fpyt om myne weigering! Maar laat, ö Espinoi! die toorne u niet ontzetten,

Die toorne is zonder kiacbt;'kheb'sdwinglands hart doorgrond: Hy durft op mynen hals her wraakgeweer niet wetten,

De vrees is in zyn hart, het dreigen in zyn' mond. De onzekre kans des krygs fchynt zyne rust te deeren,

Uw optogt Haat zyn' geest met heimelyken fchrik; Door dreigen tracht hy u van Doorniks muur te weeren,

En fpant door vleijery en u en my een' ftrik. Dat dreigen om Lalain voor 's konings recht te trekken,

Zo zy en Espinoi hem blyven wederflaan, Is (laaislist, uitgedacht om zynen angst te dekken;

Hem is het rechtsgeding van Egmond niet ontgaan : Hy weet hoe Neêrlands beul, na Hoornes bloed te plengen,

Op naam van 't heilig recht, een' doodelyken haat Tot alf wat Spanjaard heet in't land te weeg kon brengen,'

Een' afkeer die in 't volk tot op deez/ dag beflaat. Noch meer, hetgeen noch min my Parma moet doen vreezen,

Is dat de Hemelzelf door Parma Parma (luit; Hy wil, dit zweert hy (leeds, in "t land geen' Alva wezen,

En boezemt ieder uur zyn' haat tot Alva uit.

Ge-

Sluiten