Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DON LOUIS DE REQÜESENS. .23

Requefens is een held, ik ken hem als rechtvaardig...

Ik zal hem dit doen zyn, zo ik hem anders vind! Geen vorst, geen landvoogd, zal ooit Mondragon beletten,

Wat dreigen, of belofte, 'er van dien kant gefchie', Eén fchrede, één' enklen ftap 1 van uwe zy' te zetten»

Voor dat hy Marnix, vry, aan uwe zyde, zie. Requefens! op dien voet is ons verdrag gefloten.

Het beige u niet. Bedenk, wat Nasfau nemen kon: De ftad, ons oorlogstuig, my, al myn togtgenooten..•

Behalve de eerfte, is 't all' gefpaard, om Mondragon. Welaan! myn landvoogd zy, gelyk ik zwoer, rechtvaardigs

Zo 't waar is, dat zyn hart den kettrenftoet veracht, . Hy acht' dan Mondragon 't ontflag ééns ketters waardig;

Ik fpreek de taal van 't volk, dat dit van u verwacht. ; Onttrek uzelv' de blaam, dat gy uw braaffte vrinden

Min acht dan 't ketterhoofd zyn braaffte vrinden doet. Noch ééns, dus fpreekt ons volk; wie kan'tverwerplyk vinden?

Zy keuren, uit één' mond, 't verdrag met Nasfau goed. Doch belgt u, tegen hoop, myne eedle bloedbefparing,

Is 't redden van uw volk, dat zich verloren hield, Is al uw oorlogstuig, ontheft aan prysverklaring,

Niet waardig dat uw hart, door dankbaarheid bezield, 't Verdrag voor edel hou', wel! hoor dan uw belangen:

Elk uwer hopliên zal, zich fpieglende aan myn lot, Befchroomt zyn in uw' dienst iets hagchlyks aan te vangen; En dooft dit niet den moed en lust in 't oorlogsrot?

B 4 Ten

Sluiten