Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36 WILLEM DE EERSTE,

6 Vrind! wie is de vorst wiens hoog gezag wy (laven j

In hofzaal, en in veld, met raad, en krygsgeweer? Ontzet u niet; een vorst die Neêrland wil verflaven, .

En, op den fchyn van gunst, ons aanrand in onze eer. Hy vleit ons met zyn hoop op ons beftier te bouwen,

Hy (heelt ons ïn gefchiift, pryst aft' wat wy bedaan; Maar zyne onëedle ziel is vol van wanvertrouwen;

Hy acht onze eedlen niet, hy acht den Kastiljaan. Het lot, een gunstig lot! deed my zyn hart doorgronden.

My wierd, als afgezant, een breede magt verleend, Toledo wierd met my naar Vrankryks hof gezonden;

Befchouw hoe wél de vorst, en hy, 't met Neerland meent! •Myn last behelst met fpocd de vrede door te dryven;

Maar 't oogmerk van dien fpoed gist Egmond zeker niet: 't Moest, dit was 's konings wit, zelfs my verholen blyven;

Door 't lot is 't dat die vorst dat wit verydeld ziet. De tyd zal Nasfaus geest het denkbeeld nooit onttrekken,

Op welk een wondre wyze ik't Spaansch verraad verflonJ; Dat juist een vorst een' vorst moest ten verrader lhekken,

En dees door dat verraad de goede trouw niet fchond. 6 Egmond! deze taal moet u zo duister wezen,

Als my den waren grond van myn gezantfchap was; Doch 't geen ge op 't oogenblik uit Nasfaus pen zult lezen,

Verjaagt, (ik vrees uw drift,) die nevlen licht te ras! Nochtans, hoe myn geheim uw gramfchap moog' verhitten»

Ik moet het u, als vrind, volledig doen verdaan :

De

Sluiten