Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DEN GRAAF VAN EGMOND. 39

Als waar' Tolcdoos last Oranje ook voorgefchreveh,

En hoorde listig dus den grond van 't gruwelft.uk. Nu kunt gy , nevens my, des konings wit doorgronden,

En zien waarom de Spaanfche, en Waalfche,en Duitfche magt, Tot op dit uur niet word uit Nederland gezonden,

Gelyk ons volk voor lang, met reden, had verwacht. 6 Egmond! Spanjes byl is op den hals geflepen

Van de eêdlen, en van 't volk van 't vryë Nederland; UW vrind voelt zich door fchrik en deernis aangegrepen,

En ziet, helaas! byna geen' weg tot tegenftand! Iutusfchen dat Granvelle en Phlips ons nooit vertrouwden,

Dat al hun vrindelykheid een loutre valsheid is, Blykt klaar, door Alvaas last voor ons bedekt te houden;

Zy vreezen dat wy zien dóór hun geheimenis. Maar alles wel befchouwd-gelyk men 't moet befchouwen,

(Een eerfte gramfchap loopt de reden licht voorby!) Dan vinden we ons vereerd door's dwinglands wanvertrouwen :

Hy kent ons onbekwaam tot lage fchelmery. Voor 't minst, laat ons, bedaard, van alle drift ontflagcn,

Befchouwen wat de vorst het eerst verrichten kan, Wat hy verrichten móet, en wat wy moeten wagen;

Hy voor zyn' dwang, en Wy tot wederftarid daarvan. De koning zag voor lang ons land met nydige oogen,

De Spanjaard ziet 's lands bloei met innèrlyke fpyt; De vorst is niet dan graaf, in 't juk der wet gebogen,

Zyn hoofling ziet, vciflaafd, 'sÉ lands vryheid aan rhët nyd.

C 4 Wil

Sluiten