Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DEN GRAAF VAN EGMOND. 41

•* Stond alles hoogst verbaasd, Toledo uitgezonderd;

Thans moet die weigring ons niet doen verwonderd Maan. Welaan! dooriuchte graaf! fpoor heimlyk al uw vrinden,

(Oranje vergt dit u, daar hy uw' invloed kent 0 Dat zy, doch zwyg myn' naam, zich onderling verbinden.

Tot dringing dat de vorst zyn vreemde magt verzend'. Maar, Egmond! fchoon 'tuwhartingramfchapmogeontfleken.',

Ik fpreek u ongeveinsd, gelyk een halsvrind doet, De nood, het dreigend' wee, dwingt me ongeveinsd te fpreken;

Gy hebt flechts één gebrek, waarvan ik ffreken moet: Hetkanonsdoodlykzyn, 's lands toeftand wél befchouwend'!

Uw hart is moedig, groot, gulaartig, kent geen nyd, 't Is edel, in één woord; maar niet genoeg wantrouwend' ;

Gy kent de wantrouw fchaers, dan als ge in 't leger zyt. Mogt Egmond, als in 't veld, aan 't hof ook Egmond wezen •

Doch God gaf aan één' mensch ook alle deugden niet! Toch fchonk hy ons één magt: wy kunnen ons genezen

Van kwalen onzer ziel, wanneer ons oog die ziet. Voeg hier opmerkfaam by uw zucht tot prachtig leven, Uw drift om aan het hof ten top van ftaat te fpoên; Den koning is uw aart geenszins bedekt gebleven;

Hy kan, hy zal daarmede onfeilbaar voordeel doen. Het middel om door u uw vaderland te fnuiken,

Is, zo ge u niet bewaart, dus in des dwinglands hand; Hy kan dat niet alleen, maar zal 't gewis gebruiken;... 6 Dierbre boezemvrind! zoek toch geen eer in fchand'!

C5 0ch!

Sluiten