Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN PHILIPS DEN TWEEDEN. 5r.

Dit 's u genoeg. Ik ben geen rekenfchap u fehaldlg ; 'k Heb een' byzondren last, die uw bellier niet raakt. „ Vernoeg u met uw' rang, en word niet ongeduldig,

„ Wyl koning Phlips myn magt van de uwe affcheidlyk maakt." Hy zweeg; en ik, verwoed door my te zien mishandlen,

Borst uit: ,, Ik zie dan klaar dat flechts myn broeder my „ De kerk laat voor 't gebed , de wegen om te wandlen,

„ Den naam van landvoogdes, en Alva 's lands voogdy. „ Geluk dan met zyn keur! Gy zyt my niets verfchuldigd !...

(„ Een weinig achting toch, geen onbefchoft onthaal!) ,, 'k Zal fpreken tot den man die my hier heeft gehuldigd,

,, Op vorflelyken toon, niet in Toledoos taal." Toen toonde ik hem den rug, en achtte een'man, hovaardig

Trouwloos, balflurig , norsch en onvoorbeeldig wreed, Het zien van myn gezigt, na dit onthaal, niet waardig,

Onthaal waardoor hy u in my op 't hoogst misdeed. Denk echter niet dat hy door my zich liet vertfagen,

8 Neen! hy dreigt, hy boeit, en doemt, naar 'them behaagt, En heeft prins Nasfaus goed vermetel aangeflagen ,

Verbeurt verklaart, en hem, als muiter, ingedaagt. In't kort, dat zelfde land daar u niets ftond te duchten,

Dat land dat ik met u volflrekt bevredigd had, Isjammerlyk beroerd; men hoort niets dan van vlugten,

En Brusfel aireede een half ontvolkte ftad. 't Beeft alles voor een' man verliefd op treurtooneelen;

In gy begrypt op 't klaarst, na 't gene 'er is gefchied , D 2 Dat

Sluiten