Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5o DE HERTOGIN VAN PARMA,

Dat Margareeth' niet gaarne in dc eere eens mans zal deelen

In vvien en raad en volk een' vloek en geesfel ziet; Eens mans in raadzaal trots, verfmadende en baldadig,

Eens mans, die, in uw'ftoeI,z'ch,fchaamt!oos,,, koning"noemt, E;ns mans voor 't fbhuldloost volk ten uiterfle ongenadig,

En die, op fchyn van fchuld , uw volk rer flagtbank doemt. Nesn ! de eer die hy geniet kan geenszins my behagen;

Hy fchenke op zyne wyz' den bloei weer aan uw land: Ik acht dit oogenblik my uit uw' dienst ontflagen,

En del myn landvoogdy hiermede in uwe hand. Maar, Phlips! één' enklen raad acht ik me unoch verfchuldigd.

Keer fpoedig in dit land van 't opgetreden pad. Herinner u dat gy als graaf flechts zyt gehuldigd ,

En dat dit vry gewest voorheen nooit koning had. Zyn deze volken koel, hun woede werkt te heeter

A's wraak in hen ontbrand, ontvonkt door harde elend'. Uw vader kende, ó vorst! den Nederiandren beter,

Dan gy en Alva faam' die floute volken kent. Nooit wierd een zweem van dwang door hem te baatgenomen,

Als hy iets te cifchen had, ten fteun van zyn gebied : Hy eischte vraagsgewyze, en kreeg zyn' eisch volkomen;

Doch korting Phlips, zo't fchynt, kent zo veel zachtheid niet. M-jar zelf die vlam, ó vorst ! die Alva nu doet loeijen,

Die vlam hier tot verderf der kettery gcflookt, Zal in 's volks koel geflei eerlang de wraak doen gloeien;

Reeds gist hier 't bloed, dat haast gevaarjyk overkookt.

Be»

Sluiten