Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 DE LOF VAN HET

Ik vlij mij dan in 't veldgras neder,,

Daar ik'op 's Hemels dichtluim aas, En doop mijn welverfneeden veder,

In 't ftroomnat van de zilvrén Maas: Ik zal het zalig buitenleven, Op klaverweide en boomgaarddreeveiï,

Op korendraagend akkerland, Op fchoone rust- en vreugdenhoven,

Op duin en tuinen rijk beplant.

Aan vischvliets zilvren waterkant, Met maatgezang gulhartig looven.

Gij ftroomen, die mijn Leeuwendaal Gelijk een' lusthof hebt doorfneeden,

Gij zijt 'slands voormuur, grens en paal, En fielt mijn vaderland als Eden:

De velden, uit uw' vloed gedrenkt,

De fpeelvaart, die gij doortocht fchenkt, De baars en fnoek, hoe ftomgebooren,

Verhefte, op 't zevenmondig riet, Een loflied in uw' waterchooren; Liet van der Goes noch Smits zich hooren

Tot lof van IJ- en Rottevliet.

T^Yan-

Sluiten