Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A tAND-LEVEN»

Wanneer Gods goedheid de akkerlanden Met hernelsch manna overftort,

Dan rept dè Landman nijvre handen, En vindt den langen dag te kort;

De vlijt -bekroont zijn bloote hairen,

Door zweet bedaauwd, met korenairen; Hij £ïngt, bij 't ruisfchen van het graan",

Tot lof des velds met blijde galmen, Op toonêft die dê dorsfchers flaan, Hoe 't ftefflïjk leven 'moet beftaan ,

Door 't voedftcam pit der rijpe halmen.

Eer nog "de halm van graanen zwelt, Verfchijnt een 'regenboog Vart kleuren,

Op 't akkerland en klaverveld; Waar in Gods wijsheid is re fpeuren'

Want de Almagt fpreiddè hier ten loörC

Het vloertapijt van 'sHoogftens troon, Met fchöone tloemen rijk doorweeven:

Dan bromt de bie 'sLands hoogen lof, Haar honig ftërkt het kwijnend leven, Haar wasch doet vorftènzegels kleeven,

Haar ftaatkunst fticlrt tem konings hof.

A a De

r

Sluiten