Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4'4 HET GE WEE TEN.

Maar wen een diep gepeins zijn denkbeeld meer verklaart,

De bange fchrik des doods de redenfchaal bezwaart,

De dag des oordeels fchijnt te bloozen aan de kimmen,

En de eeuwigheid hem wenkt in 't koningrijk' der fchimmen,

Een fterke hemeldrift hem tot zich zclv' bepaalt:

Dan wordt zijn kennis door de Zon der Wet beftraald,

Geheugnisfpiegel (lelt zijn daaden voor zijne oogen ,

De fijnen evenaar des Oordeels wordt bewoogen,

En velt het vonnis van zijn' zedelijken lïaat;

Die naar den hemel rijst, of naar den afgrond flaat.

Dan voelt zijn lijf en ziel zich prikkien en verrukken,

Met wondrc krachten door geen woorden uit te drukken.

Dan daalt de Vierfchaar Gods uit 's Hemels opperzaal',

In de overtuigde ziel, en fpreekt orakeltaal,

Op richterlijken toon: ,, Gij, booze zult niet leevcn"

Of met een ftreelcnd woord: „ Uw zonden zijn vergeeven."

Dan opent hij den mond, die ongeveinsd belijdt,

„ Ik zelf! Ik ben de man met wien de Godheid ftrijdt;

Die 't Opperwezen door mijn daaden heb beledigd: , Ofwel, ,, Ik ben met Gode in 'sHeilands bloed bevredigd."

Die wondre Hemelftem dreunt als een donderslag: Zij bonst een Rijksmonarch uit zijn misbruikt gezag,

Ver-

Sluiten