Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46 MET GEWESTEN.

Verteer' het p'arkement, dat haaren eisch ontzegt,

Ën gcesfel' met heur roè de Vrijheid en het Recht.

Maar twijl zijn hoogmoed rijst tot aan de fterrenronden,

Schrijft de Almagt aan den wand: „ Gij zijt te ligt bevonden".

„ Het Koninglijk geweld is van u wechgegaan:

„ Het moedig Volk dat gij in kluisteren deed flaan,

„ Verzweert uw ijzren juk op zijnen hals te draagen,"

Daar ftaat de boosheid nu met fchrik voor 't hoofd gcflagen; .

De Koninglijke dar, in wolken uitgedoofd,

Schiet blixemflraalen naar het pratgekroonde hoofd:

De roede flaat hem zelv' met Hinkende etterbuilen,

Waar in de luizen zich , met grooter heir, verfchuilen ,

Dan 't heir der zielen 't welk hem aanklaagt voor Gods troon:

Welks nagalm in de ziel' met donderenden toon

Zijn gruweldaaden weet op 't fchriklijkfte aftemaalcn.

Nu fchijnt de Koningsftar ten jammerpoel' te daalen;

De Raazernij verpijnt zijn reeds gedoemde ziel,

Met al de foltering waarmee het hem geviel

De zuiverfte onfchuld uit het leven wech te rukken:

Hij wenscht, in zulk een drom verbaazende ongelukken,

Dat zijn geduchte ftaf, die volken heeft geplaagd,

Hadt fchaapen langs de hei of klaverwei gejaagd;

Maar

Sluiten