Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GEWEKTE N. 47

Maar ach! te laat gezucht, de daad lijdt geen herhaaling; Het Vonnis legt geveld; de Rechter eischt bctaaling.

Wanneer Rechtvaardigheid van eedle gramfchap brandt — De Wreedheid tcgcntreedt en tèugeït aan een' band: Dan perst een bange ziel het bloed en zweet uit de aedren; Een Vluchteling verfchrikt op 't ritslen van de blacdren. Beziet een Veldheer, die noch God noch Godsdienst kent, Die eed noch trouwe houdt, en 't Recht der volken fchendt; Hij zendd' zijn vloekgefpan in overwonnen landen, Met dit ontmenscht bevel: van rooven , moorden, branden, En wat de boosheid kan bedenken op de reiz': Zijn fcherp gewette zwaard verbreide' der dood ten zeisf En maaije een rijken oogst van weêrlooze onderdaancn, Maar ftraks verdrinkt het veld in brakke Burgertraanen , En ftrekt ten watervest voor 't ftroopen van zijn heir: Bevloert de ftrenge koü dan 't onbevaarbaar meir: Een laauwe bloedrivier, ten hemel opgefteegen, Door zuchten t' faamgeperst, valt nêer in zomerregen, Die 't marmervak ontfloopt. De gunftige Natuur Strijdt voor de goede zaak, cn lescht het fulvervuur. ■ Ziet daar den booswicht Haan ten fpot der zwakke volken , En fchieten, God' ten fmaad, zijn kogels in de wolken,

D 4 Wen

Sluiten