Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4§ HETGEWEETEN.

Wen 't boos Geweeten, dat te fchrikkelijk ontwaakt, Hem tegens wil verwijt dat God, dien hij verzaakt, *t Gefchrei der onfchuld hoort, en trekt de boosheid tegen. Kil vlucht hij voor zijn fchïm, als voor zijns vijands degen,; Die hem geweldig fchijnt te volgen treê op treê: Dus waar hij vlucht hij draagt een' ftrengen wreeker meê. Hij fchijnt als in een ftroom van martelbloed te fmooren , De zuchten dreunen hem als donderen in de ooren; Een flachtzwaard dreigt zijn hoofd met opgeheven hand, De vuurgloed volgt hem na-verfchroeit zijn ingewand, En doed het ziedend bloed verdroogen in zijne aedren, — Het uitgeteerde lijf ter veege Grafzerk nacdren; En ftort Rechtvaardigheid hem in den afgrond neêr, JSTog roept hij uit: ?, Gij hebt verwonnen Galileör,"

Gefleepen Staatkunst moog der boozen fchild verftrekkenj Maar geen bedrog kan zich Gods oog en hand onttrekken, J)e vierfchaar van 't Gemoed leest haar het vonnisf' voor. En luistert in den flaap een dreigtaale in het oor. £,et op een Man van Staat, die, in geveinstheid wandelt, En tot 's Lands nadeel met een' loozen vijand handelt, *s Lands Eere en Welvaart, aan zijn zorge toebetrouwd, Uit eigenbaat verruilt en opweegt tegen goud?

Zijn

Sluiten