Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6o II E T G E W E E ï E N.

'.sLands Magten regens Recht en Reden afgeperst: Terwijl die Dweepziek woed en op de tanden knerst, Verlaat de leiding Gods hem in zijn booze gangen, De Hemelftem wordt door een Leugengeest vervangen , Die hem , dewelke reeds de waarheid heeft verfmaad, Volkomen overreed dat hij door deze daad, Die door geen reedlijk mensch, geen Christen is te draagen, Een waardig offer doet aan 't Godlijk welbehaagen.

Nadien het God behaagd' te flappen van zijn' troon, Op dat hij in den Menfche als in een' tempel woon' — En fchijnend licht verfpreide op all' zijn' levenspaden , En flrekk' ten toetsftcen van zijn' redelijke daaden — Ten Vraagörakel daar hij wijsheid van ontving: Zou dan een aardworm, zoude een zwakke (lerveling, Die ingcfchapen Zon van Redcnlicht beroovcn: En Gods Orakelflem in 's menfchen ziel* verdooven? ó Neen ! zoo weinig als de Zonne aan 's hemels trans, Door menfchen magt berooft kan worden van heur' glans, Of dat de donder zwijge op 't woord der flervelingen , 'Kan een Geloofstiran bet Vrij' Geweeten dwingen. Die zielevrijheid is met 's Scheppers evenbeeld, Ten onvcrliesbrcn erv' den menfchen toegedeeld;

Die

Sluiten