Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60 » B W A A R E C H R 1 S T E N.

Zie ik de Onmeetbre hemelboogcn,

De Praaltent van Gods heerlijkheid: Dan roep ik uit, als opgetoogen,

„ Aanbiddelijke Majefteit, ! ,, Wat was de Mensen bij u in waarde!

,, Dat zulk een wonderlijke ziel,

Die aan uw Godheid evenaarde; Aan Hechte klei ten deel geviel!

ó Eeuwig onbegrijplijk .menglen!

Gij maakt van ftervelingen Englen."

Maar welk een afval van Gods wetten!

ö Heemlen dekt uw aangezicht! Straks zal de blixem ons verpletten!

De Mbrgeoflsx verlaat het licht. Hij, die met redenskracht befchonken,

Het leevend beeld der Godheid is, Gelijkt, door weelde en hoogmoed dronken,

Een engel der verdoemenis. 6 Inbreuk op Gods eeuwige orden! Neen: dus moest God verheerlijkt worden.

Het

Sluiten