Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BE WAARE CHRISTEN. 8 I

Mijn Christen, die zijn levensdagen,

Nog tracht te rekken, tot Gods eer, Verlaat zijn Vaderland en Maagen;

Maar nooit zijn hoop — zijn liefdeleer. Wat ramp of fmert hem ooit bejegent,

Zijn hart wordt nooit door°wraak verhit, Terwijl hij zelf zijn haaters zegent,

En bij zijn' Heiland voor hen bidt, Weerhoudt, verfcboont zijn vlucht die fnooden, Van Jezus in zijn volk te dooden.

Hij gaat op Gods geleide heenen,

En tuurt den wondren hemel aan, Van 't helderst nachtlicht overfcheenen,

Ziet hij zijn' Heiland voor hem ftaan. Verhemeld leven! geestvervoering!

Hoe aangenaam is zulk een nacht! Voor die in fterke hartsontroering

Op Jezus en zijn' bijftand wacht, Verkwiklijk, fomber, heilig eenzaam * Hier is een mensen met God gemeenzaam L

F 5 In

Sluiten