Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TER VERTROOSTINGE ENZ. 139

Bedenk nu eens: Zoud dit die Zieltjes voegen? Waar over zou de zuiverde Onfchuld wroegen ? De Onnoozelheid, nog niet aan 't kwaad gewend, Die Adams Wet noch Overtreeding kent; Heeft die berouw van zoete lachjes, lonkjes, Van handgeklap doormengd met liefdevonkjes, Van gulle vreugde en teedre vriendlijkheid, Van traantjes om des lichaams fmert gefchreid? Hoe! zoud eens Kinds geweeten kunnen knaagen, Om dat het hier zeer lijdzaam heeft verdraagen, Dat hem Natuur de fellle neepen gaf, Van dat het werd gebooren, tot aan 't graf.

Integendeel; de Staat der zaalge Geesten, Beftaat in Liefde en gulle Vreugdefeesten, Daar zich de Deugd in haare oprechtheid vindt. Dus leeft de Ziel van een onnoozel Kind , Pas tot den rang der menschlijkheid verheeven, In 't kindfchc lijf, niet dan een Hemelsch leven; Ten zij het Wicht gedrukt door lichaams fmert, Met zucht op zucht verbreekt des Moeders hert', Wanneer haar arm heur' Zuigeling omvademt, Wiens teedre mond Hechts liefde en^blijdfchap ademt,

K 2 Wiens

Sluiten