Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, ï. IJ K O F ff E- & >; « S. 20^

Wen hij" den Lofzang zingt ter Bruiloft van het Lam, Gezeeten aan de zij van zijnen Abraham.

Maar wij, die deze Zon, gehuld met flauwe ftraalen, Zien agter 't Wolkgordijn ter Avondkimme daalen, Beflrooijen. 't Lijk des Mans, wiens nagedachtenis Op 't achtbaar Raadhuis en den Zangberg heilig is, Met zedig Dichtgebloemte, om 't breinrijk hoofd te fleren; Wij vlechten door zijn Palm - en Letterëerlaurieren, Den gouden Zonnebloem, de Wijsheid toegewijd j En zilvren Lelieën, wier geür de Deugd verblijdt, Met groene Mirten en verwelklooze Amaranthen.

Wij zien, terwijl wij 't Graf met Lijkcipres beplanten, Den vollen ondergang van 't licht der Poëzij, 't Geen eer de Vaderflad in top befcheen, nabij: Nadien de Tweelingftar in flaauwe flikkeringen, Ziqh zelf verliezen zal in wijder hemelkringen, Wanneer wij Buiteweg, en nevens hem - Badon , Zien duiken in' den gloed der ondergaande Zon. Den 2. van Sprokkelmaand 1780.

O

TER

Sluiten