Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0 P DEN M O E E IV -15 O V W ENZ. 237

Op het woord van Visfcherij; Zuchtte 't uitgeteerd geraamte

Van die groote Maatfchappij, K11 verbleekt door fmertc en fchaamtc;

Doch de Vaderlandfche min,

Drukte haar die blijdfehap in, Die in welgcflelde Zielen

Uit het grootsch vooruitzicht vloeit, Dat het rooveu haarer kielen, Vlaarding nimmer zal vernielen.

Zoo 't getal der Molens groeit.

Zij, de Vaderftad getrouw, Wenscht dat beide Visfcherijën;

Met de nieuwe Molciibouw 't Saam' tot Vlaardings heil gedijen:

Dat de vlugge Westenwind

Twee belangens naauw verbind', Drijv' de radde molenraedren,

Doe den Zeeman, blij te mo.ê, Rijk gelacn, de haven naedren! 't Zelfde vuur vervult mijne aedren,

'k Stem dien wensch volmondig toe. In Wijnmaand',. i 7 8 i.

Q 3 T E r

Sluiten