Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TER I N W IJ D I N 6 E ENZ. 2-391

Op dat dc Kunst, van grove feilen vrij,

Uitgalmen zoud heur uittcrfTe vermogen. Het Taalfieraad van zekren Diehterftoet;

Die de Eer van God en "t ileil des Volks bedoelde, (*) Den fehcllcn toon cn Majefteit van Voet,

Dc lieflijkheid die elk in Gijzen voelde, Werd onderzocht met geest en kunst en vlijt:

Het zoetflc pit, uit elk van die vergaderd, Werd zedig aan den Godsdienst toegewijd:

Dc Godsdienst, die, voor Godes troon genaderd, In 't blank gewaad, op dit gelukkig uur,

Het brandaltaar befchonk met wijrookgeuren, Zag, als verrukt door Pinxterwind gp-yuur»,

Het blaauw tapijt der wolkgordijnen fcheuren: Toen zeeg terftond de fchoone Dichtkunst neer,

In 't ftarreukleed, op een' ontvlamden wagen, Om 't Kunstkleinood dat David (trekt tot eer,

Voor 't reukaltaar den Godsdienst op te draagen. Zij fprak hem aan: - „ Ontvang mijn nutte kunst;

„ Die Godes lof uitgalmt met duizend kcelen,

. J5 Die

C*') De Spreuk: LausDeo, falus Populo.

Q 4

Sluiten