Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

R E I Z E- 251

Had ik vlerken van D.edaal,

'k Had 'er opgevloogen.

Eindlijk kwam Sparendam

Onze moeiten fpaaren.

Haarlem bood geen tegenweer,

't Windje wakkerde op het Meer,

Deed ons fpoedig vaaren:

Maar in 't naedren van de Kaag,

Werd die vlugge vogel traag,

Dook in riet en biezen —

Liet ons nog een lange wijl

Zachtjes drijven in de Zijl

En toen voor Leidens boom de flille rust verkiezen.

Het fnel gevolg der oude plaag, Die ons, als morgendrank, ontnuchterde even ftaêg, Had weêr een witgevlokte vlaag, Op onze fchuit gegooten: Toen 't wijs Atheenen, zeer verplicht Aan Vrijmans treffend Eeuwgedicht, Voor 't bloozen van het morgenlicht, Heur grendels heeft ontflooten. Van waar een paard, Ons log geVaart,

R 2 Wijl

Sluiten