Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

z%z n. r. i v. %'

Wijl zich geen wind liet fpeurèn, Vervoerde naar den Leidfchendam: Daar ons het onheil tegenkwam, Met toegeflooten deuren.

Na 't winnen van het waterrad, Vertrokken wij naar Goverts Stad, Langs fchoone Lustplantaadjen, En Weitfche Timmcraadjen:

Wij meenden nu een eind te zien aan ons kwellaadjen;

Doch Goverts hooggewnsfe bult

Was ook met tegenfpoed gevuld,

En vulde wederom de ftroomen,

Waar langs wij door de Breede Vaart,

Het zij door wind of trekkers paard,

Dien zelfden avond nog te Viaarding konden komen ;

Nu moesten wij een mijl twee drie,

Nog buiten om, door 't luchtig Overfchie,

En aangenaam Delftshaven:

Daar wij, door llappe wind te langzaam voordgezet,

Den laatften nacht vertoefden voor 't Klinket,

Daar in den morgenltond de fneeuw ons had begraaven.

Nu kon geflootea boom noch Huis,

Den

Sluiten