Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8 AAN MYNE KUNSTVRIENDEN.

Zy ftecken elk wie hem aanfchouwt terftond in 't oog; Zyn redenloos beftaan verheft zich hemelhoog.

Maar ziet men 't ongeloof met Midasooren pronken, Aan 't bygeloof is dat ficraad ook mild gcfchonken. De dweeper, naauwgezet op 't uiterlyke alleen, Die zich een' God verkiest naar zyne zinlykheên; Den Hemel door zyn naar gelaat, door preevlen, zingen, En zuchten, met geweld tot gunstbewys wil dwingen: De huigchlaar, die alom van zyn bevinding relt; In 't heilig liverei all' zyne glori ftelt; Kan de Ezelsooren, die naar zyne pruik zich rekken, Door zynen ftyven hoed onmogelyk bedekken.

Barfine is trots op haar geboorte en eedlen ftam: Geen wonder! ze is bewust dat zy haar' oorfprong nam Uit dapper heldenbloed en vorftelykè loten; Dat ze uit de lendenen van Midas is gefproten. Haar hoogmoed, die zich grond op vaders eeuwige eer, Slaat met verfmaading 't oog op'tgantfchemcnschdomneéTi Maar weinig word van haar befeft, dat ze alle dagen En overal verkeert met haare naaste maagen;

En,

Sluiten