Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 AAN DEN HEERE

Zien zy zich, uit hunn' echt, een manlyk kroost geboren,

He braave Kat, wien Hechts zyn landbouw kan beknoren,

Aanfchoüwt reeds in zyn' zoon een'jongen akkerman,

Die éénmaal 't kleine land voor hem bebouwen kan;

Wiens ploeg, door's Hemels gunst, zyn'ouderdom zal voeden.

Maar buurman Hond, in wien en waan en ftaatzucht woeden,

Beoogt, in zyncn zoon, een veel doorluchter doel;

Befchikt, reeds van de wieg, hem tot den predikftoel,

De beide knaapen, die, als broeders en gefpeelen,

Te faam' in 't bly vermaak van hunne kindsheid deelen,

Eereiken, dus gelyk, nog naauw' hun tiende jaar,

Of een verfchillend lot verdeelt het vriendenpaar.

De jonge Kat word nu reeds mede in 't veld genomen,

Om zyncn vader, waar hy kan, te hulp te komen;

Die hem in d'akkcrbouw fcherpzinnig onderwyst,

En 't ftille landgeluk voor hem nadruklyk pryst.

Maar jonge Hond,van 't eelt des ploegsnogongefcllonden,

Word door zyn' vader nu van huis, naar ftad , gezonden.

Om zyne ftudie daar te aanvaarden, en door vlyt

Een' fchatté zaamlen,die hem ééns ten kantfel wyd.

Dus

Sluiten